Verslag woon- werkverkeer – Informatie en raadpleging

Teneinde bij te dragen aan een beter beleid aangaande de mobiliteit van werknemers, moeten de werkgevers die gemiddeld meer dan 100 werknemers tewerkstellen om de drie jaar een verslag over het woon-werkverkeer van hun werknemers opstellen. Dit verslag wordt opgesteld op het niveau van de onderneming maar ook op het niveau van elke vestiging met gemiddeld minstens 30 werknemers. Het gemiddelde van de in de onderneming tewerkgestelde werknemers wordt berekend volgens dezelfde regels als deze voor de berekening van de drempel van de sociale verkiezingen. 

Het verslag woon-werkverkeer vermeldt  het volgende:  

  • de organisatie van de arbeidstijd 
  • de indeling van de werknemers volgens hun belangrijkste verplaatsingsmiddelen; 
  • de wijze van toegankelijkheid tot de plaats van tewerkstelling ; 
  • de maatregelen die al werden genomen door de werkgever op het vlak van mobiliteitsbeheer ; 
  • de specifieke mobiliteitsproblemen van de onderneming of organisatie.   

De inlichtingen in dit verslag worden op zodanige wijze verwerkt dat de werknemers niet kunnen worden geïdentificeerd.

De werkgever bezorgt het verslag woon-en werkverkeer vóór 31 januari van het volgende jaar aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. Deze FOD beheert een databank met, per werkgever, de inlichtingen betreffende de verplaatsingen van de werknemers tussen hun woon- en werkplaats.

Bovendien moet de werkgever dit verslag om de drie jaar mededelen aan de ondernemingsraad, of bij ontstentenis aan de vakbondsafvaardiging, hetzij aan de werknemers bij ontstentenis van beide overlegstructuren.

De werknemersvertegenwoordigers krijgen bovendien inlichtingen betreffende iedere belangrijke wijziging in het bedrijf die de inhoud van dit verslag aanzienlijk zou kunnen wijzigen.

De ondernemingsraad geeft advies over dit verslag binnen de twee maanden na de ontvangst ervan, voordat het naar de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer wordt verzonden.